Waarom Javier Martina het niet heeft gered als profvoetballer

"Als jij zou weten wat ik heb meegemaakt, denk je: die is gek."

door Oscar Pater; foto's door Ryan Oosterling
|
apr. 26 2018, 8:38am

“Kunnen we het interview misschien een week later doen? Mijn kapper kan pas donderdag”, stuurt Javier Martina een dag voordat we hebben afgesproken voor dit interview. Een week later loodst een fris geknipte Martina me in een dug-out van zijn huidige club AVV Zeeburgia door het gesloten boek van zijn carrière als profvoetballer.

Martina zal altijd voetballer blijven, maar prof is hij al een tijdje niet meer. Tegenwoordig gaat hij van maandag tot en met vrijdag als ambtenaar door het leven. Zonder zijn dreads, maar met een keurige coupe, vertelt hij waarom hij het profvoetbal al op zijn 26e vaarwel zei. Een stadion vol Canadezen dat zijn naam scandeerde, werkgevers die failliet gingen en Marco van Basten die hem compleet negeerde – Martina maakte het allemaal mee. Dit is zijn verhaal.


“In eerste instantie wilde ik dit interview helemaal niet doen. Ik ben geen prater en blik niet graag terug. Maar ik denk wel veel. Ergens vond ik dat ik mijn verantwoordelijkheid moest pakken. Ik wil laten zien aan al die jongetjes die prof willen worden, en aan hun ouders, dat het echt niet altijd even leuk is. En echt: het belangrijkste in een carrière is geluk. Je kunt talent hebben, je kunt hard werken, maar het gaat vooral om geluk. Dat heb ik heel weinig gehad.

Met mijn kwaliteiten had ik bij een Europese topclub moeten voetballen. Ik werk nu voor de gemeente Amsterdam. Dat is niet wat ik had moeten doen op deze leeftijd, maar ik heb nu een gezin en moet mijn verantwoordelijkheid pakken. Het heeft geen zin om nu te jammeren. Gewoon zeven uur opstaan, vijf dagen per week fietsen los knippen. Het is niet echt een beroep waardoor mensen je heel aardig gaan vinden, haha. Maar ik moet toch iets en ik voel me nergens te goed voor.

Ik speel sinds vorig jaar bij Zeeburgia, en het eerste seizoen ging best lekker. Nu liggen de zaken anders. In de eerste wedstrijd van dit seizoen pakte ik rood en kreeg ik vijf wedstrijden schorsing. Een verdediger greep me bij m’n ballen en dat is voor mij een grens die je niet moet overschrijden. Hij kreeg van mij een zet en hield er een flinke bloedneus aan over. Nu speel ik in het tweede elftal en heb niet de ambitie om weer naar het eerste te gaan. Ik ben gewoon verliefd op het spelletje, alles eromheen kan me nu gestolen worden.

In mijn tijd bij Ajax merkte ik al hoe vreemd de voetbalwereld is, hoe ze je willen veranderen. Ze scouten je vanwege de speler die je bent en vervolgens proberen ze je compleet te veranderen. Na mijn eerste seizoen bij Jong Ajax kreeg ik bijvoorbeeld te horen dat ik meer moest gaan scoren. Ik had prima cijfers, maar moest zelf meer doelpunten maken. Prima. In mijn tweede seizoen werd ik topscorer en alsnog veranderde het niks voor mijn kansen in het team.

Toch debuteerde ik uiteindelijk bij Ajax, onder Marco van Basten. Uit tegen FC Twente, dat was in die jaren een topwedstrijd. Luis Suárez was geschorst en ik begon daarom direct in de basis. We wonnen en ik gaf de assist op de eerste goal van Siem de Jong. Ik ging naar huis met het idee dat ik een lekkere wedstrijd had gespeeld. Maar een week later zat ik op de tribune. Van basis naar tribune en geen woord van Van Basten. Niks van uitleg. Suárez kwam in die tijd ook een keer naar mij toe en vroeg: ‘Wat heb jij Van Basten geflikt? Waarom doet hij zo tegen je?’ Ik kon hem oprecht geen antwoord geven. Het leek alsof ik genegeerd werd, en ik had geen idee waarom.

Na dat seizoen was er veel interesse in mij. Bari wilde me bijvoorbeeld hebben, dus ik daar stage lopen. Zeggen ze na een paar dagen: we willen je een kans geven, maar als rechtsback. Daar heb ik geen moment over nagedacht. Dat nooit. Ik heb in mijn leven zoveel backs alle kanten opgestuurd, hard vernederd gewoon. Op die positie spelen was voor mij geen optie.

Weet je, ik hou gewoon niet van verandering en ben wat dat betreft gewoon te koppig geweest. John van ’t Schip wilde me ook hebben bij Melbourne Heart, maar ik zag dat niet zitten en ben niet eens gaan kijken. Het enige wat ik van Australië wist was dat het ver weg was. Als ik Ajax zou verlaten moesten de voorwaarden top zijn. Daarom ben ik bijvoorbeeld ook niet naar Cercle Brugge gegaan. Het aanbod sloeg nergens op, ik moest alles zelf betalen. Dan maar in Jong Ajax ballen toch.

Na Ajax ging ik naar Toronto FC, grotendeels voor Aron Winter. Ik heb veel trainers gehad, maar Aron was echt als een tweede vader voor mij. Hij sprak met mij, gaf vertrouwen en was veel met mij bezig. Ik ben een gevoelsmens en hij wist mij precies goed te raken. Toen hij me belde, zei meteen ja. In mijn tweede wedstrijd voor Toronto FC scoorde ik twee keer en kreeg ik een publiekswissel. Daardoor werden de verwachtingen veel te hoog, ook van Aron.

Bij Ajax was ik gewend aan de manier van spelen. Hier was de manier van spelen niet duidelijk. Ik heb nog nooit zoveel individuele fouten gezien. Ondertussen scandeerde het publiek vooral mijn naam. Dat is lastig, hoor. Zo kwam de druk bij mij te liggen. Ik heb daar veel met Aron over gepraat, maar het lukte mij niet om daar op het veld iets mee te doen.

Ik begon heimwee te krijgen en was het op een gegeven moment helemaal kwijt. Ik begon ook steeds meer van het uitgaansleven te genieten. In restaurants wilden ze mijn geld vaak niet eens hebben. Iedereen was aardig tegen me, alle deuren gingen voor me open en ik begon me zowat een filmster te voelen. Aan het einde van het seizoen twijfelde de clubleiding over contractverlenging, terwijl ik volgens de statistieken van de MLS ondanks alles tot de drie beste spelers van het team behoorde. Misschien heb ik, vanwege die statistieken, nogal stom gereageerd. Ik zei gewoon: ‘Als jullie twijfelen, dan ben ik er klaar mee.’ Dat is heel dom geweest, maar op dat moment had ik niemand die zei: ‘Denk nou eens na Javier.’

Ik zat alleen op mijn hotelkamer in Canada toen ik net was uitgevallen tegen de clubleiding van Toronto FC over die contractsituatie. Ik zou daarna interlands spelen met het Curaçaose elftal, maar liet het vliegtuig naar Curaçao schieten. Ik zei: ‘Sorry jongens, maar ik kan het nu even niet.’ Ik werd daarna niet meer opgeroepen. Het is mijn fout dat ik dat vliegtuig niet gepakt heb hoor, maar ik had gehoopt dat ze mij daarna zouden helpen er weer bij te komen. Ik hoorde niks meer en heb het gevoel dat de jongens van het Curaçaose elftal mij in die tijd hebben laten vallen.

Ik vond het wel geweldig hoor, interlands spelen. Maar de eerste bondscoach die ik meemaakte, Manuel Bilches, was echt een grap. Hij kende niemand van de selectie. Hij stelde gewoon lange mensen op. Hoe kansloos kun je zijn? Toen hij merkte dat dat niet zo lekker ging, kwam ik er in. Later werd Patrick Kluivert bondscoach. Ik had wel verwacht dat ik iets van hem zou horen. Niet dus. Nu is het Remko Bicentini, hij was vroeger helemaal gek van mij. Ik ken hem namelijk uit de jeugd. Maar weer hoorde ik helemaal niets. Sommige mensen vinden dat ik zelf moet bellen, maar dat weiger ik.

Na Toronto besloot ik terug naar Nederland te gaan. Ik dacht in de Eredivisie terecht te kunnen, maar de aanbiedingen die ik van clubs als FC Dordrecht kreeg, sloegen nergens op. Ik had toen het idee dat alles mis zou blijven gaan. Profvoetballer worden was mijn droom, maar als ik wist dat ik het hiervoor had moeten doen, was ik alleen voor mijn plezier gaan voetballen. Tussendoor heb ik nog even stage gelopen in China, dat werd ook niets. Die Chinezen zochten helemaal geen rechtsbuiten, ze wilden een spits hebben. Ik zie mezelf daar nog zitten in China. Ik had gewoon een tolk voor m’n tolk nodig. Die tien dagen voelden als tien jaar. Als jij zou weten wat ik daar heb meegemaakt, denk je: die is gek.

In die tijd begon ik echt de hoop te verliezen. Ik heb toen bij Rijnsburgse Boys gespeeld, kreeg ruzie met de trainer en ben naar VVA gegaan. Ik werkte toen al fulltime als fietsenknipper. Ik wilde gewoon een beetje voetballen en wat bijverdienen. Ik was twee uur reistijd kwijt voor elke training, dus je kan echt niet zeggen dat ik niet van voetbal houd. Maar opeens was het geld op bij VVA. Toen heb ik gezegd: ‘Ik ga geen geld geven om hier te voetballen.’ Een paar weken later ging de stekker eruit. Ik heb daarna nog even bij Nieuw Utrecht gespeeld, maar ook die club ging failliet. Je merkt: het zat niet mee bij mij. Daarna ging ik naar Zeeburgia, waar ik nu zit. Lekker in de buurt voetballen, that’s it.

Ik heb het allemaal meegemaakt en kan als enige uitleggen waarom ik zo heb gehandeld. Mensen lezen liever de succesverhalen, maar het zou de mensen slimmer maken als ze ook naar een verhaal luisteren dat niet goed is afgelopen. Mensen denken dat ik praat zoals ik praat omdat ik het niet heb gered, maar dat is niet zo. Het is echt belangrijk om te luisteren naar jongens zoals ik. Wij kennen de andere kant en hebben niets te verliezen. Je mag zelf oordelen.

Ik geef absoluut niemand de schuld van hoe de dingen zijn gelopen. Ik heb achteraf gezien verkeerde keuzes gemaakt en daarnaast worden verkeerde keuzes soms voor je gemaakt. Wel ben ik nog steeds blij dat ik het mooiste moment in mijn carrière – de twee doelpunten voor Toronto – heb kunnen vieren met Aron Winter. Een trainer die in mij geloofde en die ik tot op de dag van vandaag dankbaar ben.”

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen.