Het tweede leven van Jan-Paul Saeijs als amateurvoetballer

"In de Topklasse Zondag scoorde ik 24 keer in 26 wedstrijden en werd topscorer. Dat was een klein wondertje."

|
dec. 22 2017, 3:00pm

Sommige mensen kunnen geen ‘nee’ zeggen. Jan-Paul Saeijs (39) is zo’n persoon. In 2011/2012 beëindigde hij vanwege blessureleed zijn profcarrière en ging de Hagenees bij de zondagamateurs van HBS voetballen. Zes seizoenen later weet de oude centrale verdediger nog steeds niet van ophouden, want hij buffelt nog iedere week op de amateurvelden.

Momenteel voetbalt Saeijs bij Sportclub Monster en speelt hij iedere zaterdagmiddag een wedstrijdje in de derde klasse van het amateurvoetbal. We zochten de oud-speler van ADO Den Haag, Roda JC, De Graafschap en Southampton op bij zijn voetbalvereniging om te praten over zijn tweede voetballeven in de spits, zijn gezondheid en Haagse karakters. Als we gaan zitten voor het interview, legt Saeijs een rode blokfluit naast zich neer.

VICE Sports: Ha, Jan-Paul, waarom heb je een rode blokfluit bij je?
Jan-Paul Saeijs: We hebben in de selectie van Sportclub Monster regels. Als iemand zich daar niet aan houdt, dan moet hij aan het rad draaien. Bijna elke donderdag is er altijd iemand wel de ‘Sjaak’.

Zo hebben we op de club de regel dat we bepaalde kleding bij trainingen en wedstrijden dragen. Bij de vorige wedstrijd had ik de verkeerde jas aan, dus moest ik aan het rad draaien. Ik kwam uit op ‘fluiten’. Het mooie aan het rad is dat er geen regels zijn opgesteld. Dus ik ben vrij om de opdracht in te vullen. Vanochtend kwam één van mijn kinderen met de blokfluit aangelopen. “Geef die maar aan papa mee!”, zei ik. Op de club liet ik iemand filmen terwijl ik op de blokfluit speelde. Opdracht vervuld.

Dat klinkt gezellig. Hoe gaat het voetbal bij Sportclub Monster?
Het gaat lekker. We spelen in een leuke poule met veel vechtvoetbal. Het zijn bijna allemaal derby’s in het Westland. Je moet flink buffelen in deze competitie. Dat werpt bij ons de vruchten af. Wij winnen de wedstrijden op wilskracht. Tijdens mijn profcarrière heb ik vooral op karakter en vechtmentaliteit gespeeld. Dat ligt me wel.

Hoe kwam je afgelopen zomer bij deze club terecht? Je voetbalde voor de Veteranen van HBS. Daarvoor speelde je een tijdje in het eerste zondagteam van HBS in de inmiddels opgeheven Topklasse.
Drie vrienden van me herinnerden me eraan dat ik ooit had beloofd om voor Sportclub Monster te gaan voetballen, want zij zijn van deze club. Die belofte moet ik in mijn tijd bij Roda JC (2006 tot en met 2010, red.) hebben gemaakt. Twee dagen voor het verstrijken van de overschrijvingsdeadline in het amateurvoetbal kreeg ik van hen de vraag of ik hier wilde spelen. Sportclub Monster speelt in een leuke klasse en is lekker dichtbij. Toen dacht ik: waarom niet? Ik heb toentertijd bij Roda JC misschien als grap geroepen dat ik hier zou voetballen, maar ik ben ook iemand die zich daar dan aan houdt.

Uiteindelijk kwam je dus terug op je beslissing om te stoppen met selectievoetbal.
Het werd in het laatste jaar bij HBS gewoon minder. Ik had meer klachten. Het niveau was te hoog voor me. Ik kwam bij de Veteranen in de ONEC-competitie terecht. Een leuke poule. De doelstelling voor mij was om kampioen te worden. Dat werden we ook. Het was supergezellig bij de Veteranen. Alleen had ik zoiets van: eigenlijk moet ik hier blijven, maar ergens knaagt het nog een beetje om toch iets hoger te spelen.

Bij HBS werd je ineens spits, terwijl je heel je leven verdediger bent geweest. Waar kwam dat vandaan?
We stonden een keer uit bij Be Quick met 3-1 achter met nog vijf minuten te spelen. Ik moest mee naar voren en schoot er twee in. Een week later speelden we uit tegen Haaglandia. Twee aanvallers van HBS konden niet spelen. Op het moment dat we het veld op wilden lopen, zei ik tegen trainer André Wetzel dat hij me voorin moest zetten. We hadden nog een centrale verdediger op de bank die achterin kon spelen. In die wedstrijd scoorde ik een hattrick, en we wonnen met 5-1. Een week later stond ik weer in de spits en scoorde ik wederom. Ik ben bij HBS in de spits gebleven. In 26 wedstrijden scoorde ik dat seizoen 24 keer en werd ik topscorer in de Topklasse Zondag. Dat was een klein wondertje.

Er gebeurde in november iets met je hart tijdens een wedstrijd van Sportclub Monster. Wat was dat precies?
‘s Ochtends kreeg ik last van hartkloppingen. Ik had op dat moment net een klein kind gekregen. Een slechte nacht. Ik dacht er niet bij na dat het gevaarlijk was. Ik begon wel aan de wedstrijd, maar ik sukkelde er heel die dag mee. Het was geen zware wedstrijd voor me, tot het moment dat ik vlak voor rust een goede sprint moest trekken. Toen kreeg ik een gloed door mijn lichaam.

Ik voelde me niet lekker en ben gaan liggen. Mijn hart ging tekeer. Ik heb nog tot de rust gespeeld, daarna zat ik binnen en het voelde niet goed. De fysio vertrouwde het niet, dus die belde de ambulance. Iedereen schrok natuurlijk. Maar mijn hart moest alleen even een schokje krijgen om in een normaal ritme te komen.

Je nuanceert de situatie wel een beetje.
Zo ben ik misschien ook wel. Ik ben niet iemand die bij de pakken neer gaat zitten en denkt: oh jee, straks ben ik er niet meer. Het leven gaat door. Ik mag alles doen. De dokters hebben wel gezegd: “Je bent jong. Dit gaat nog een keer gebeuren. Als je dit ’s ochtends voelt, dan moet je ‘s middags niet gaan voetballen.” Ik heb thuis afgesproken dat ik op mezelf let. Het is niet niks. Alleen ben ik daar heel luchtig in. Mijn vrouw wijst me er wel eens op dat ik te makkelijk over dingen denk. Dat is misschien de aard van het beestje.

Hoe reageerde je omgeving hierop?
Dat nieuws gaat in het Westland als een lopend vuurtje. Het is door allerlei commotie in de krant gekomen. Ik kreeg veel reacties. In de ambulance liet ik mijn vrouw weten dat zij niet moest schrikken. Dat er iets met mijn hart was, maar dat ik er niet dood aan zou gaan. Zij schrok zich natuurlijk ook een hoedje.

Er werd bloed afgenomen en de uitslag was goed. De beslissing werd genomen of ik pillen of een schokje zou krijgen. De dokters zeiden direct dat ik een schokje zou krijgen, omdat ik jong en fit was. Onder narcose is het gebeurd. Dat was het. Dezelfde nacht mocht ik het ziekenhuis alweer verlaten.

Wat betekent amateurvoetbal voor jou?
Ik hou van voetballen. Dat merk ik elk jaar weer. Toen ik stopte bij het eerste van HBS, deed ik acht wedstrijden bij de Veteranen mee. Daar begon het weer te kriebelen. Ik besloot nog een jaartje mee te doen om kampioen te worden. Daarna zou ik stoppen. Na het kampioenschap dacht ik: verdikkeme, wat ga ik dan doen?

Iedereen moet sporten, maar ik heb een bloedhekel aan de sportschool, om buiten te gaan rennen of fietsen. Ik heb een keer een triatlon gedaan. Dat was leuk, maar je moet er veel voor trainen. Ik wil ‘gewoon’ op de fiets stappen of in het zwembad springen. Dat gaat dan niet. Uiteindelijk kom je toch terug bij voetbal. Dat blijft knagen.

Je bent momenteel account manager bij ADO Den Haag. Wat houdt dat in?
Ik ben verantwoordelijk voor de businesskant. Dat betekent dat ik sponsoren binnen moet halen voor de seats en boarding. Ik doe ook business-evenementen. Dat was een eenvoudig rekensommetje, omdat ik negen jaar bij ADO heb gespeeld. Alle sponsoren, die toen nog in het Zuiderpark zaten, zijn er nog steeds. Dat is gaaf. Ik baal er verschrikkelijk van dat het oude stadion nu weg is. Ik krijg nog steeds kippenvel als ik aan het Zuiderpark denk met die mooie, hoge Northside-tribune. Echt jammer dat daar nooit een nieuw stadion is gebouwd. Als ik op die plek die koepel van de HALO zie staan, dan denk ik: dat had een stadion moeten zijn.

Je hebt in de loop der jaren bij ADO met flink wat karakters gevoetbald. Wie staat je het meest bij?
Raymond Atteveld. Hij was een beest eerste klas. Binnen en buiten het veld. Verbaal was hij altijd aanwezig. Daar heb ik uiteindelijk het meest van geleerd. Het is ook mijn verdienste geweest dat ik zoveel van die man heb aangepakt. Uiteindelijk heb ik de stap naar Roda JC gemaakt, waar Atteveld met Huub Stevens samenwerkte.

Zij waren twee ‘typetjes’. Stevens kon als trainer snoeihard zijn. Atteveld was toen zijn assistent. Maar Atteveld klapte er gewoon overheen. Zei Stevens dat je een ‘debiel’ was, dan riep hij dat je ‘de allergrootste debiel’ was.

Ben je misschien de voetballer wiens naam het vaakst verkeerd is geschreven in kranten en tijdschriften?
Dat denk ik wel! Het is ‘Jan-Paul’, geen ‘Jean-Paul’. Het liedje dat vroeger altijd werd gescandeerd was ‘Jean-Paul Saeijs’. Iedereen spreekt mijn naam altijd als ‘Sa-jes’ uit, maar het is ‘Saais’. Ik speelde in Engeland bij Southampton (half seizoen in 2009, red.). ‘Size’ (Saeijs) betekent ‘groot’ in het Engels. Ik kwam met mijn naam in verschillende kranten met koppen zoals ‘Saeijs Matters’. In de wedstrijd tegen Watford scoorde ik voor het eerst in mijn carrière twee keer. Toen werd ik ‘King Saeijs’ genoemd. ‘King Size’ is natuurlijk ook een bed. Dat zijn gave dingen. Southampton was een toptijd. Ik baalde er zo van dat die club failliet ging. Anders had ik daar 100 procent zeker mijn carrière afgesloten.

Hoe lang wil je nog doorgaan met voetballen?
Ik bekijk het per jaar. Dit niveau vergt veel van mijn lichaam. Ik train nog maar één keer in de week en speel de wedstrijd. Het is pittig. Gelukkig krijgen we nu winterstop, waarin ik kan bijkomen. Dan hoop ik hier bij Sportclub Monster het seizoen af te maken. Ik denk, als ik het nu zo voel en zie, dat dit seizoen eenmalig is. Misschien stop ik wel met voetballen. Maar ik weet het niet. Dat zeg ik elk jaar.

Dit is een verhaal uit De Vierde Helft , een serie van VICE Sports over amateurvoetbal in Nederland. Zie hier alle verhalen uit deze serie.

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen.