We spraken een halve liter lang met Freek van Kraaikamp over zijn debuutroman

"Ik ben zelf opgegroeid op de tribune, en dat is het decor geworden voor dit verhaal."

|
apr. 20 2018, 8:05am

Bij ‘hooligans’ moet ik altijd aan See You All van Koudlam denken, een nummer dat ik nogal eens heb opgezet rond vier uur ’s nachts op een of ander huisfeest bij gebrek aan betere ingevingen. De clipblijft fascineren: twee legers van mannen beuken genadeloos op elkaar in, op een parkeerplaats in een Oostblokdorp. Er lijkt iets mannelijks van uit te gaan: zij aan zij als broeders je lichaam inzetten als vechtmachine. Je bent één groep, steunt één club, en één leider is er waarschijnlijk ook. Geen twijfels, geen zwakte. Vooraf is het flink snuiven geblazen en na afloop drink je samen twintig bier. Je voelt je lekker en mannelijk. Dat is ook het universum van Elitepauper, de debuutroman van Freek van Kraaikamp (33), chroniqueur van de rauwste voetbalcultuur.

“De bevrediging, na een goede vechtpartij, blijft je langer bij dan de high die volgt na een plat potje neuken,” aldus de naamloze verteller van Elitepauper op de eerste pagina van hoofdstuk 1. Hij is een twintiger met een kantoorbaan bij een Duitse investeringsmaatschappij. Met een paar knapen in overhemden zit hij doordeweeks taakjes uit te voeren achter zijn scherm, en hij vindt er niks aan. Alles is “een grote holle poppenkast”. Gelukkig kan hij in het weekend ‘zichzelf’ zijn. Dan gaat hij op pad met de jongens van de tribune om met jongens van andere tribunes een potje te plukharen, een bruut fenomeen. Hij voelt dat hij leeft wanneer hij bloed proeft. ’s Maandags komt hij moe en met korsten aan zijn mouwen weer naar de Kantoorkolos. Hij woont samen met een kat in een piepkleine studio in een grote stad. Een vriendin heeft hij nooit gehad.

Freek van Kraaikamp (33), loopbaancoach en columnist, was jarenlang supporter bij FC Haarlem. Vanaf zijn vijftiende tot het einde van de club in januari 2010 stond hij tussen de jongens op de Noord-tribune, waar overigens niet geknokt werd. Het waren de meest vormende jaren van zijn leven en zijn verhaal baseerde hij op die periode. “Een ode aan de rauwe voetbalcultuur,” noemt hijhet zelf. Elitepauper beschrijft een wereld waarin simpele mannen gebroederlijk zuipen, snuiven en knokken, en er niets van leren, behalve de kwetsbare waarde van loyaliteit en broederschap: of je doet mee, of je ligt eruit.

Zelf houdt Van Kraaikamp ook wel van een pilsje. Naar eigen zeggen heeft hij Connie Palmen onder de tafel gedronken tijdens een borrel bij Prometheus, een behoorlijk prestatie. Een halve liter lang spraken we over zijn debuutroman Elitepauper.

VICE Sports: Proost. 23 maart is je boek uitgekomen. Hoe voelde dat?
Freek van Kraaikamp: Op de boekpresentatie zei ik tijdens mijn speech: “Het is nu niet meer van mij. Het is nu van jullie. Doe er wat moois mee!” Met een snik, heel theatraal. Ik ben blij met wat ervan gemaakt wordt. Elitepauper-vlaggen en -stickers hangen nu in stadions. Ik krijg foto’s van dj’s en mc’s die met Elitepauper-shirts achter hun deck staan. Ik had een campagne opgezet: plaats een recensie en win een shirt. En nu lees ik dingen, waarvan ik denk: is dit mijn boek? Dingen als “ Elitepauper is geen boek, maar een levenswijze.” Heel tof.

Je voelt je goed.
Zeker. Ik zit nog wel erg in die voetbalhoek. Daar wil ik uit, omdat Elitepauper voor iets breders staat dan ‘de jongens op de tribune’. Maar het gaat nu eenmaal over die jongens. En ik ben er hartstikke blij mee. Ik werd gebeld door jongens van Vitesse die vertelden dat de Elitepauper-vlag in de combi-bussen van Roda tegen de achterruit hing. Mooi toch?

Geen boze mails van stadions, met de vraag of je die stickers kunt komen lospeuteren?
Nee, de ergste ben ik denk ik zelf geweest. Ik ben op een nacht vijftig stickers in Paradiso kwijtgeraakt. Ik dacht dat ik ze gewoon kwijt was, maar mijn vriendin zei: “Schat, kijk eens naar deze foto van gisteren.” Alle wc-deuren, alle zijschotten, alles had ik volgeplakt. Als er iemand boos kan zijn, is het Paradiso, maar daar heb ik niets meer over gehoord. Ik had wel meer gedoe verwacht over de inhoud van het boek.

Hoezo?
Ik had verwacht dat er boze reacties zouden komen uit de voetbalhoek, of over de grofheid van het verhaal. Het is geen sprookje, ook in taalgebruik en uitspraken niet. Maar ik heb niet één boze brief gehad. Ik heb het overigens niet geschreven om te provoceren. Alles staat ten dienste van het verhaal.

Elitepauper gaat over hooligans. Wat fascineert je zo aan volwassen mannen die het voetbal als excuus gebruiken om met elkaar op de vuist te gaan?
Ik heb altijd een drang gehad naar alles wat donker is, vol van testosteron en hypermasculien. Ik ben zelf opgegroeid op de tribune, en dat is het decor geworden voor dit verhaal. Aan de andere kant heb je de zakelijke kant, de ‘taakjeswereld’. Die staat voor alles wat niet primair is. Ik hou van dat primaire. Ik heb een voorliefde voor mensen die eerst doen en dan denken. Als er dan iets verkeerd gaat, so be it.

En het geweld, wat vind je daarvan?
De jongens in dit boek vechten met wederzijdse instemming. Dat vind ik fascinerend. Dat is een breuk met algeheel geldende normen en waarden. En het verhaal is een uitvergroting, hè. De uitwassen in dit verhaal zijn het uiterste gebied van het spectrum dat mij in z’n geheel interesseert. “Jullie vinden dat wij niet mogen vechten,” zeggen die mannen, “maar wij doen het wel.” Jongetjes blijven jongetjes, zij het op een wat extreme manier.

Je hoofdpersoon is ook zo’n jongetje. Doordeweeks is hij consultant. Hij verdient goed, maar vindt zijn werk verschrikkelijk. ’s Weekends zuipt en snuift hij met de jongens van de tribune en wordt er stevig geknokt. Wat vind jij eigenlijk van hem?
Ik heb een zwak voor zijn bijna jeugdige onbezonnenheid. Maar hij is ook een gigantische narcist. Hij beëindigt een relatie met een appje, als het hem uitkomt. Hij zet zich als een kind af tegen de regeltjes, maar zelf leeft hij ook volgens allerlei regels. Dat is kinderachtig en daar heb ik een hekel aan. Maar zijn vrije manier van denken weerspiegelt mijzelf in een bepaalde fase van mijn leven.

Welke fase was dat?
Tien jaar terug. Misschien was ik toen ook wel hartstikke narcistisch. Ik kwam uit de schoolbanken en ging het werkende leven in. Werkende mensen doen ook gewoon wat ze doen. Als zij zich druk willen maken over volkorencrackers met avocado, dan is dat niet per se fout. Maar zo zwart-wit ziet mijn hoofdpersoon het wel. Ik vind hem tot op zekere hoogte sympathiek. Hij deelt normen en waarden die ik ook heb.

Welke?
De eerste versie van het boek heette Wat moet dat moet. Dat probeer ik ook aan te hangen. Soms zijn dingen niet leuk, maar het moet wel gebeuren. Wat dat dan is, daar kun je over van gedachten wisselen. Maar het maakt je een beter mens als je dat soort dingen wel doet. Als de zon schijnt en we zitten met z’n allen op het terras, dan zijn we met z’n allen vriendjes. Maar ware vriendschap zit hem erin dat je er staat als het tegenzit. Dat is in dit boek gigantisch uitvergroot.

Wat leert je hoofdpersoon nou eigenlijk over het leven?
Niks.

Hij is op het eind van het verhaal geen ander mens dan aan het begin?
Nee. Dat vond ik te makkelijk. Om hem met een vrouw en zijn baan toch op het rechte pad te krijgen. Dat zou te Amerikaans zijn, om hem iets te laten leren. Hij had ook in een politiecel Jezus kunnen tegenkomen, maar dat vind ik belerend. Zo van: zie je wel, jongetjes op de tribune, jullie zijn nog te redden als jullie goed je best doen.

De verteller kwam op mij nogal over als een mopperaar. Alles ziet hij negatief. Ik vroeg me af en toe echt af hoe lang hij nog zou doorgaan met zeuren.
Wat hij vertelt, is zíjn waarheid. Maar het is kritiek die ik vaker heb gehoord, en ik vind het wel een goeie. Mijn vriendin zei hetzelfde. “Nu weet ik het wel,” zei ze. “Komt er weer zo’n volgende beschouwing van het leven.” Zijn waarheid is voor hem dé waarheid. Iedereen die daar niet aan voldoet, of die anders is, is impliciet fout.

Hij ontmoet een meisje dat hem wel interessant vindt en ze krijgen een relatie (a.k.a. “niet lullen maar neuken”). Doordat zij hem vragen stelt over zijn leven komt de verteller tot enige zelfreflectie. Kun je de vrouw nog wel zo’n rol geven als schrijver anno 2018?
Ja, denk het wel. Waarom niet?

Omdat het de vrouw reduceert tot middel voor de man om via seks tot zelfinzicht te komen.
Ik zie die relatie niet als eenzijdige seksrelatie. Ik heb haar proberen neer te zetten als een reflectiepunt, als iemand die hem eindelijk de vragen stelt die hij nooit krijgt en waar hij misschien wel naar hunkert. Ik vind haar waardevoller dan alleen als seksrelatie. Als iemand dit volgens de nieuwe feministische denkbeelden niet vindt kunnen, dan interesseert dat me echt geen zak. Er zijn wel meer bevolkingsgroepen het bokje in dit verhaal.

Het is een mannenboek, maar als een vrouw dit leest kan ik me voorstellen dat ze denkt: weer een boek waarin een vrouw alleen lustobject of barvrouw kan zijn.
Haha, dat is wel scherp! Maar jeetje, ik beschrijf een hypermasculiene wereld. In de jaren dat ik op de tribune zat, hebben daar nooit vrouwen gestaan. Het is niet zo dat ik ze daar niet wil of dat ik ze minder acht. Ik heb afgelopen zaterdag toevallig mijn vriendin meegenomen naar de voetbal, Sparta – VVV. Dat is hartstikke leuk, maar dat werkt gewoon niet. Voor haar ook niet. Als ik met haar meega met tien vriendinnen naar de huppel… weet ik veel waarnaartoe, daar wordt ook niemand gelukkiger van. Ik kan moeilijk een boek schrijven over een harde kern vol vrouwen met een eenzame man achter de bar.

Andere groepen komen er ook niet best vanaf. Je beschrijft een wereld waarin ‘de groep’ het belangrijkste is, en waar het ‘wij tegen zij’ is. Voor zo’n wereld vind ik dat er weinig racisme in het boek voorkomt. Valt het wel mee met racisme op de tribune?
In stadions zie je veel autochtone mannen en jongens. De grondgedachte is dat je voor elkaar strijdt, en dat is ongeacht kleur of afkomst. Ik heb nooit enige vorm van racisme ervaren op de tribunes. Het kan zijn dat je iemand waar je een hekel aan hebt pakt op zijn kleur of afkomst. Maar dat kan ook om iemands flaporen of rode haren gaan. Alles waarin je afwijkt is iets om je op aan te spreken. Maar iemand puur uitsluiten om iemands kleur wordt niet gedaan. Als je maar man, stoer en groot bent en snuift en zuipt en niet te veel verandert, dan is het goed.

De hoofdpersoon heeft een haast fascistische voorliefde voor geweld en loyaliteit aan zijn groep. In Nooit meer slapen zei je dat je loyaliteit en broederschap zelf ook heel mooi vindt. Wat vind je daar zo mooi aan?
Twee maanden voor het boek uitkwam is een van de jongens van mijn tribune overleden. Dat ik het boek ten overstaande van honderd jongens aan hem heb opgedragen, dat is voor mij het mooiste moment geworden. Die broederschap. Ik had nooit gedacht dat alle jongens zouden komen, inclusief Australian-trainingspakken. Hoe heftig het ook is dat die jongen is overleden, het heeft ons als groep erg samengebracht. Dus als ik persoonlijk iets zou willen achterlaten, dan zit dat hem in die loyaliteit. Dat betekent dat je offers maakt. Toen die jongen overleed, zou ik een weekend met mijn vriendin weggaan. Die wist: Rooie is overleden, dus we gaan de tassen weer uitpakken. Ik hecht daaraan. Dat wil niet zeggen dat iedereen dat moet doen. Dat is het bijna fascistische aan het boek: of je doet mee, of je ligt eruit. Er is geen middenweg.

Alle personages hebben bijnamen. Je bent “een sucker voor bijnamen”, zei je tegen NRC . Je vrienden noemen jou nu Elitepauper of De Schrijver. Voel je je meer schrijver of meer elitepauper?
Ik ben de elitepauper door het schrijven. Ik vind het nog moeilijk om mezelf als schrijver te zien. Ik vind dat ik dan eerst nog twee of drie boeken moet schrijven. Ik hang nu in een soort schemerzone. Ik heb twee bedrijven, een boek, een goedlopende webshop. Ik sta iedere dag doosjes te vouwen en stickers te plakken, want ik geloof dat dat aan het merk bijdraagt en ik vind het leuk om te doen. Maar het blijft nog onwerkelijk dat ik een roman heb gepubliceerd. Dus ik voel me meer elitepauper dan schrijver.

En ben je meer ‘elite’ of meer ‘pauper’?
Pauper. Echt geen elite, hell no.

Je doet die guerillamarketing, je hebt iets subversiefs, maar tegelijkertijd ben je omarmd door een van de rijkste uitgeverijen van Nederland. Hoe gaat dat samen?
Ik heb het boek nooit geschreven als debuutroman. Eigenlijk schrijf ik columnpjes. Ik kwam op een feestje van Lebowski in contact met een uitgever. Iemand moest mij door het proces heen geleiden, van een klein verhaal naar een roman. Ik had een gesprek met een redactrice. Zij stelde mij een partij vragen waardoor ik allerlei inzichten kreeg. Prometheus kende ik amper. Ik had op de website gekeken, en dacht: yo, dat ziet er stoffig uit! Mijn eigen website die ik voor duizend euro heb gemaakt ziet er nog beter uit.

Wat vonden de mensen bij Prometheus ervan toen ze het voor het eerst lazen?
Nou, bij zo’n zin als “je bent dan wel een kankerneger, maar wel onze kankerneger” of bij een referentie naar concentratiekampen, vroeg ik me af of ik dat wel kon maken. Mijn redacteur was zelf homo, dus ik vroeg me af hoe de homofobe passages zouden vallen, maar hij zei “Ik heb zo hard gelachen!” Maar kunnen andere mensen daar ook om lachen? vroeg ik. “Ja, denk het wel,” zei hij. “En anders hebben ze toch pech?” De uitwassen horen bij het verhaal en de personages. Het is niet nodeloos kwetsend. Daarin hebben ze me gesteund.

Je citeert Rapper Steen in je boek, maar er zit ook muziek in van Oasis, Flogging Molly en The National en hardcore, zoals Neophyte. De soundtrack voor de film staat dus al klaar. Zijn de filmrechten al verkocht?
Alle rechten liggen bij Prometheus. Ik heb geen idee hoe het met de film is. Thomas Heerma van Voss noemde het boek een soort Trainspotting in de Hollandse polder. David Fincher mag het van mij verfilmen, haha.

Behalve Trainspotting dacht ik bij het lezen ook aan Fight Club en aan American Psycho. Zijn er nog andere schrijvers die je hebben geïnspireerd?
Het klinkt misschien bot, maar ik moet me ook niet voordoen als grootse intellectueel: ik las helemaal niet zo veel. Nog steeds niet. Ik tekende bij Prometheus en dacht: shit, nou moet ik wel wat gaan lezen. Özcan Akyol , Mano Bouzamour en James Worthy heb ik gelezen. Eind van de zomer was ik met mijn vriendinnetje in Urk, op zo’n kotter in de haven. Daar heb ik met mijn zatte kop in anderhalve dag Fight Club uitgelezen, de Nederlandse versie. Daarna heb ik American Psycho en Less Than Zero gelezen, van Bret Easton Ellis. Trainspotting had ik daarvoor al gelezen. Dat zie je wel een beetje aan de schrijfstijl, in ieder geval aan de proloog. Verder vind ik Dimitri Verhulst erg scherp. De intrede van Christus in Brussel en De helaasheid der dingen. Hij heeft ook dat maatschappijkritische en schrijft ook over de onderklasse.

Ga je nog een roman schrijven?
Na Elitepauper komt Megapauper, een superheld die halveliterblikken schiet op boeven, in een Australian met witte sokken in slippers. Haha! Nee, ik weet het niet. Er broedt wat, maar het is niet mijn ambitie om een groot schrijver te worden. Nu nog niet. Het ligt eraan wat dit boek doet. Als dit door het dak gaat, dan misschien wel. Waar ik voor wil uitkijken, is dat ik het mezelf te makkelijk maak, door opnieuw een boek te schrijven met een voetbaldecor. Zoiets heb ik nu in mijn hoofd, maar het moet geen karikatuur worden. De voetbalcultuur gaat me namelijk aan het hart.

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen.