Hoe ik als basisscholier smoorverliefd werd op het Senegalees elftal

"Ik zal mijn Fadiga-shirt vandaag maar eens uit de kast halen."

|
19 juni 2018, 12:59pm

Voor handenarbeid moeten we houten bakjes maken en die zo mooi mogelijk versieren. Normaal gesproken haat ik dit soort schoolopdrachtjes, en maak ik me er het liefst met een jantje-van-leiden vanaf. Maar nu, in september 2002, twee maanden na het WK in Japan en Zuid-Korea, ligt dit anders. Mijn liefde voor het Senegalese voetbalelftal brengt mij tot grote creatieve hoogten.

Met ziel en zaligheid verf ik het houten bakje groen, geel en rood. In het midden voeg ik nauwgezet een groene ster toe. Ten slotte haast ik me naar de voorraadkast, zoek ik het fijnste penseel uit en kerf ik met inkt alle namen van de selectie van Senegal in het hout: Diouf, Diop, Coly, Camara, Fadiga. Eenmaal af weet ik het zeker. Dit is het mooiste bakje van groep acht en het meest fascinerende kunstwerk dat ik ooit zal maken.

Senegal op het WK van 2002. (Foto: Proshots)

Mijn liefde voor Senegal begon al voordat ‘de leeuwen van Téranga’ een heroïsche kwartfinaleplaats behaalden op het WK van 2002. Als ik op mijn negende met mijn moeder in een platenzaak ben en bij de sectie wereldmuziek door de bakken graai, zie ik het woord Senegal voor het eerst staan. Zonder enige verdere aanleiding blijft het woord rondzingen in mijn hoofd.

Wat maanden later stuit ik thuis al zappend op de Afrika Cup, die Eurosport live uit blijkt te zenden. In de stadions klinken drums en trompetten en bijna elke wedstrijd is – in mijn ogen dan – een spektakel. Senegal doet ook mee en ik volg ze op de voet. Tot mijn teleurstelling verliest het team in de finale van Kameroen.

Tijdens dat toernooi in Mali wordt de Senegal-supporter in mij geboren. Dat komt vooral door de linksbuiten met zijn witgeverfde haar, fijne techniek en brutale boevenkop: El Hadji Diouf. Dat hij maar bij het bescheiden RC Lens in Frankrijk speelt vind ik ongelofelijk. Hij is creatief en doelgericht, en met zijn opgetrokken schouders en snelle demarrages heeft hij een mooie, eigen stijl. Voor mij is hij op dat moment met afstand de beste buitenspeler ter wereld.

David Trezeguet stuit op de Senegalese keeper Tony Sylva. (Foto: Proshots)


Tegen die tijd gaat zo’n vijftig procent van mijn schoolprojecten al over Senegal. Terwijl de rest van de klas werkstukken over hamsters, vleermuizen en K3 aan het voorbereiden is, speur ik het internet van de schoolcomputer af naar unieke informatie over Senegal. Op een filmpje dat ik tijdens deze research vind, zie ik de Senegalese selectie de kwalificatie voor het WK vieren. Diouf trommelt nonchalant op een drum, terwijl Miss Senegal voor hem danst. Iets stoerders dan dit heb ik nooit eerder gezien.

Tot mijn grote frustratie valt een groot deel van de wedstrijden van het WK in Japan en Zuid-Korea onder schooltijd. Zo ook de openingswedstrijd Frankrijk-Senegal. Als de verlossende bel om drie uur dan eindelijk is gegaan, race ik op de fiets naar huis en kijk ik op Teletekst. “Senegal verbijstert Frankrijk: 1-0.” Het staat er echt. In de samenvatting zie ik Papa Bouba Diop een rommelgoal maken, zijn shirt op de grond gooien en eromheen dansen bij de cornervlag. De hele voetbalwereld is in shock, maar ik wist het natuurlijk al lang.

Als Senegal ook nog knap gelijkspeelt tegen Denemarken ben ik niet meer de enige Nederlander die fan is van dit team. Omdat Nederland in de kwalificatie hardhandig aan de kant gezet is door Ierland en dus ontbreekt op het WK, zoeken mijn landgenoten wanhopig naar een ander land om te supporten. Senegal heeft de gunfactor; het is een elftal vol onbekende, leuke spelers, waarvan een paar absolute cultheldpotentie hebben.

Op rechtsback speelt Ferdinand Coly, wiens spel even woest is als zijn kapsel. Op het middenveld vormen de strateeg Salif Diao en de enorme nummer tien Papa Bouba Diop een mooi duo. Voorin lopen er met El Hadji Diouf, Henri Camara en Khalilou Fadiga drie eigenzinnige avonturiers rond. Laatstgenoemde is zelfs zo eigenzinnig dat hij drie dagen voor de eerste poule-wedstrijd een gouden ketting uit een winkel in Seoul jat. Fadiga heeft wel een goede uitleg voor het incident. Het was het gevolg van een uit de hand gelopen weddenschap met zijn teamgenoten, en uiteindelijk dus niks meer dan een practical joke.

Gelukkig heeft hij ook bij de de gedupeerde winkelier de gunfactor. Die heeft, nadat hij zijn juweel van Fadiga netjes heeft teruggekregen, een nacht niet kunnen slapen. Hij heeft medelijden met de linksbuiten, en stuurt hem uiteindelijk zelfs een amulet toe met de tekst “Na de storm komt de stilte.” Het amulet moet de Senegalese ploeg geluk brengen.

Het lijkt nog te werken ook. In de laatste poulewedstrijd mazzelt Senegal zich naar de achtste finales. Het sterke Zweden van Fredrik Ljungberg wacht. Senegal is haast de hele wedstrijd de mindere, maar strijdt zich naar een verlenging, die in die tijd nog beslist wordt door de befaamde Golden Goal. In de verlenging voel ik dat mijn helden op omvallen staan. Als een Zweed in de zestien de perfecte Zidane-draai maakt en uithaalt, leg ik me er al bijna bij neer dat het sprookje over is.

Als de bal dan toch uiteenspat op de paal, begin ik er weer in te geloven. Senegal komt er weer wat meer uit. In de 104e minuut dribbelt Fadiga wat naar de zijkant en legt hij met een hakje de bal breed op Henri Camara. Die komt op snelheid en slalomt langs twee man alsof ze er niet staan. Vervolgens produceert hij een lullig rollertje, dat tergend langzaam langs de Zweedse keeper kruipt. Als de bal via de paal in het net is beland, spring ik door de kamer van blijdschap.

Een weekje later treft Senegal Turkije. Bij Turkije spelen Hakan Şükür, Hasan Şaş en Yilderay Baştürk; ervaren spelers en de helden van mijn Turkse klasgenoten. Toch krijgt Senegal kansen genoeg om de wedstrijd in het voordeel te beslissen. Een goal van Diouf – die vreemd genoeg nog geen doelpunt gemaakt heeft op het toernooi – wordt afgekeurd. Als in de verlenging uitgerekend de gemankeerde invaller Ilhan Mansiz de Golden Goal scoort en Senegal zo uit het toernooi schiet, ben ik er kapot van.

Vlak na het toernooi ga ik met mijn vader, moeder en zus tot mijn lichte teleurstelling op vakantie naar Frankrijk – als het aan mij lag waren we naar Senegal gegaan. Voor mijn ouders betekent dat een welverdiende rustperiode na een druk jaar op het werk, voor mij staat het voor een unieke kans om een Senegal-shirt op de kop te tikken. Dat blijkt, ondanks de band die Senegal en Frankrijk door hun koloniale verleden nog steeds hebben, niet mee te vallen. In een koortsachtige zoektocht sleep ik mijn familie iedere dag over hete marktjes in Franse stadjes, op zoek naar een kraam waar goedkope nepshirtjes worden verkocht.

Als we met een groep vrienden van mijn ouders naar de wat grotere stad Béziers gaan, zoek ik van tevoren plekken uit waar mogelijk een Senegal-shirtje te vinden zal zijn. Toch loopt het allemaal op niets uit. Urenlang weet ik mijn ouders en vrienden zo gek te krijgen om achter mij aan van het ene naar het andere troosteloze kledingzaakje te zwoegen. De zaak waar ik mijn hoop het meest op had gevestigd, blijkt alleen nog maar in extensions voor afro-kapsels te handelen.

Het lijkt de genadeklap. Als ik na twee weken zoeken op weer een marktje dan tóch op een Senegal-shirt stuit, kan ik mijn geluk niet op. Dat er geen ‘Diouf’ maar ‘Kh. Fadiga’ op de rug staat, neem ik op de koop toe. De rest van de vakantie doe ik het shirt niet meer uit.

Na die zomer van 2002 maken de sterren van het WK grote transfers. Diouf en Diao gaan naar Liverpool, Fadiga naar Inter, Diop naar Fulham. Mijn enthousiasme is er een jaar of wat later dus niet minder op. Met grote interesse volg ik wedstrijden van Liverpool, die toen nog live werden uitgezonden door RTL. Diouf en Diao spelen vaak verdienstelijk mee. In de toekomst van het Senegalese voetbal heb ik een rotsvast vertrouwen.

El Hadji Diouf voor Liverpool in 2003. (Foto: Proshots)

Een paar jaar later vraagt een voetbalminnende buurman me wie mijn lievelingsspeler is. Als ik antwoord dat dat El Hadji Diouf is, kijkt hij me bijna walgend aan. “Diouf? Die ongelooflijke klootzak?” Eerst lach ik het nog weg, maar op een gegeven moment kan zelfs ik er niet meer omheen: Diouf is een eikel geworden. Hij spuugt op een supporter, hij moppert op iedereen en presteert niets meer. Bij Bolton Wanderers is hij soms nog van waarde, maar de wereldster die ik in 2002 in hem zag, is er niet meer.

Zo zie ik mijn grote held langzaam afzakken en tot mijn teleurstelling zakt het Senegalese elftal mee. Op een Senegalese nieuwssite die ik weleens bezoek gaan de berichten in de voetbalsectie inmiddels te vaak over het falen van de nationale selectie en diens bondscoach. Hoewel er zo nu en dan nog steeds aardige spelers doorbreken, is er van een sterk Senegalees collectief geen sprake meer. Senegal weet zich met een ervaren team niet te plaatsen voor het WK 2006 en wordt om de twee jaar roemloos uitgeschakeld in de Afrika Cup.

Tegen 2008 is Diouf al verworden tot het type waarover oud-spelers gênante verhalen vertellen na hun actieve carrière. Ikzelf raak steeds meer in de ban van clubvoetbal. Een duur origineel Senegal-shirt dat ik cadeau heb gekregen, raak ik kwijt in een kleedkamer na een zaalvoetbaltoernooitje.

Met de jaren is het Senegalees elftal een team geworden waar ik soms even naar Google of de uitslagen van check op Livescore. Toch zal ik mijn Fadiga-shirt vandaag maar eens uit de kast halen. Als hij niet vier maten te klein zou zijn geweest, had ik ‘m nog aangetrokken ook.

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen.