Ik ben Hasan ‘The Master’ Toy

"Chinezen zijn gek op vechtsporters. Soms willen de fans mijn sixpack aaien of even aan mijn armspieren voelen."

door Trevor Wagener; foto's door Trevor Wagener
|
24 juli 2018, 9:23am


In deze serie laat VICE Sports jonge vechtsporters aan het woord. Dit keer is Hasan Toy aan het woord, een 24-jarige Turkse kickbokser die opgroeide in Vlaardingen, en zijn geld vooral in China verdient. Wij zochten Toy op in de Haagse sportschool ARJ.

Dit is zijn verhaal.


“In China vechten is zo waanzinnig, dat ik voorlopig niet voor organisaties als bijvoorbeeld Glory of Enfusion zou willen vechten. Ik zit nu bij de Wu Lin Feng-bond. Met vijftien andere vechters strijd ik in augustus verder in een knock-out-toernooi, waar een winstbonus van 100.000 dollar op staat. In China liggen de knaken voor het oprapen, echt waar.

China is onwijs gek op vechtsporters. Je kunt hun liefde voor de vechtsport vergelijken met die voor voetbal in Europa: vaders die met hun zoons komen kijken, hele families die op de tribune zitten, inclusief opa’s en oma’s, echt ongekend. Chinezen hebben veel meer waardering voor wat wij doen. Iedere keer als ik daar ben, willen fans wel even aan mijn spieren voelen. Vooral mijn armen zijn in trek. Soms wil iemand dat ik mijn shirt omhoog hou. Kan diegene even over mijn sixpack aaien.

Ze zien mij daar echt als een pretty boy, en dat melken ze bij Wu Lin Feng ook maar wat graag uit. Een keer moest ik een promotiefilmpje opnemen. Ik kreeg een vaag script in mijn handen gedrukt waarin onder meer stond dat ik moest zeggen dat ik die ene knappe Turkse vechter uit Nederland was. Ik kreeg dat natuurlijk niet uit mijn mond. Dat vonden ze bij de organisatie niet zo leuk, maar ik zeg toch wat ik zelf wil zeggen? Deze teksten gingen mij iets te ver.

In China krijgen buitenlandse vechters meer aandacht dan vechters uit eigen land. Soms voel ik me net een kermisattractie. In de grote steden als Peking en Shanghai zijn ze wel gewend aan mensen met een andere afkomst, zoals jij en ik, maar Chinezen uit het diepste binnenland niet. Voorafgaand aan een gevecht kan ik in China wel normaal over straat lopen hoor. Maar als het gevecht eenmaal achter de rug is en ik op tv ben geweest, dan begint de gekte gelijk. Na afloop op het gala al een beetje, en op het vliegveld en op weg naar huis al helemaal.

Zodra één fan me herkent, volgen de anderen meteen. Voordat ik het weet, zwaaien er allemaal telefoons voor mijn gezicht om foto’s te maken. Zulke taferelen zullen nooit wennen, denk ik. Op dat moment vind ik niets leuker dan met fans praten. In het Engels wel, want mijn Chinese vocabulaire houdt op bij ‘ni hao’, ‘alsjeblieft’, ‘dankjewel’ en de vraag naar ijsklontjes. Anders krijg ik alleen maar lauwe colaatjes.

Die gekte bestaat niet in Nederland. Als je hier gepland staat op een gala, moet je bij sommige organisaties eerst tickets en tafels van je eigen wedstrijd verkopen. Ik vind het onzin om daar naast alle trainingen nog moeite voor te doen. Dan moeten jouw familie en vrienden jou betalen om naar jouw gevecht te komen kijken. Raar toch, zo geld verdienen? Als Nederlandse organisaties mij willen hebben, moeten ze met een aantrekkelijk aanbod komen. Dan overweeg ik het wel. Maar ik ga niet zomaar ergens staan.

Het is eigenlijk wel grappig dat ze in China nu zo bezig zijn met mijn uiterlijk. Ik was vroeger juist een scharminkeltje. Daarom was mijn omgeving heel sceptisch toen ik op mijn veertiende begon met kickboksen. Mijn ouders, vrienden en klasgenoten vroegen zich af waar ik aan begon. Ik was zelfs zo klein dat ik twee jaar moest wachten voordat ik mijn eerste partij mocht vechten, omdat ik op gewicht moest komen. Anders mocht ik alleen maar tegen jongetjes van tien vechten.

Na twee jaar wachten vocht ik eindelijk mijn eerste partij. Die verloor ik op punten, maar dat maakte me helemaal niets uit, want ik vond het hele gebeuren geweldig. Ik weet nog dat ik veel om me heen keek en lachend de ring in liep. Het gevoel was, ondanks het verlies, zo lekker dat ik meteen wist dat ik dit vaker wilde meemaken. Mijn omgeving bleef sceptisch, maar daardoor ging ik juist volle bak trainen, om iedereen het tegendeel te bewijzen. Ik ging naar school, maakte thuis huiswerk, at iets en stond dan heel de avond in de sportschool. Zo heb ik het jarenlang gedaan.

Toen ik begon met vechten, vocht ik alleen nog maar in Nederland. Om me te verbeteren, moest ik me al snel met sterkere vechters meten. Dat kon mijn manager Mike Polanen wel regelen. Hij regelde in 2015 mijn eerste wedstrijd in China en is sindsdien ook mijn vaste trainer. Dat moment was erg belangrijk voor mijn ontwikkeling en stijl. Mike hamert er steeds op dat de manier waarop je wint het belangrijkste is. Eerst was ik een puntenvechter, nu train ik vooral op knock-out power. Vroeger hield ik mijn knock-outer zelfs als troef achter de hand.

Eigenlijk was ik vooral bezig met mijn tegenstanders te mindfucken. In mijn eerste partijen vocht ik wel tegen hen, maar het leek soms meer op schaken. Ging mijn tegenstander naar rechts, dan ging ik naar links. Als mijn tegenstander een linker directe wilde plaatsen, stapte ik opzij, landde ik wat combo’s op zijn hoofd en sloot ik af met een trap op het lichaam. Zo dacht ik er steeds over na. Daar komt mijn bijnaam The Master ook vandaan. Ik wil dat mijn tegenstanders gefrustreerd raken van mijn stijl. Dan maken ze sneller fouten.

Tussen augustus en januari staan er vier tripjes naar China op de agenda. Tussendoor moet ik in oktober, in mijn geboorteland Turkije, een rematch vechten tegen de Rus Arbi Emiev. Later wil ik naar Amerika om daar door te breken in de MMA. Die disciplines combineren lijkt me gaaf, en het betaalt ook best dik. Eerst maar eens revanche nemen op Emiev. Hij stal ooit een overwinning van mij op punten. Nu ga ik hem laten zien hoe echte masters vechten.”

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen.